"Ik ben tot de conclusie gekomen dat het neoconservatisme zich als politiek symbool en als gedachtegoed heeft ontwikkeld tot iets wat ik niet langer kan steunen." Met deze woorden neemt Amerika's bekendste neoconservatief afstand van een ideeëngoed dat het buitenlands beleid van de regering-Bush flink heeft beïnvloed. Francis Fukuyama geniet vooral faam vanwege zijn bekende werk 'Het einde van de geschiedenis'. Dat kwam als geroepen op het einde van de koude oorlog toen het communisme in elkaar stortte. Het boek werd echter door velen geïnterpreteerd als een lofzang op de overwinning en onvermijdelijkheid van de liberale democratie. Sindsdien probeert Fukuyama uit te leggen dat zijn boek in werkelijkheid gaat over modernisering: als landen een zekere economische ontwikkeling doormaken waardoor de bevolking zich eveneens kan ontwikkelen, dringen inspraak en openheid van het politiek systeem zich op. Maar net zoals Lenin de stellingen van Marx op zijn kop zette, zien de neoconservatieve haviken, met William Kristol van
The Weekly Standard op kop, in de these van Fukuyama een blauwdruk om met militaire macht de geschiedenis een handje te helpen.
In zijn nieuw boek legt Fukuyama uit waarom hij in tegenstelling tot vele andere neoconservatieven niet overtuigd was van de noodzaak om Irak binnen te vallen. Hij probeert tevens een antwoord te formuleren of nieuwe inzichten hem diskwalificeren als neoconservatief of de neoconservatieve voorstanders van de oorlog hun principes verkeerd toepassen. Een van de belangrijkste ideeën van het neoconservatisme is dat het ingrijpen van de overheid in de samenleving -
social engineering - vaak onverwachte en ongunstige gevolgen heeft en daarom met de grootste voorzichtigheid moet benaderd worden. Het is dan ook verwonderlijk dat het juist de neoconservatieven zijn die de utopie koesteren dat ze door militaire interventie een democratie kunnen opleggen. Democratie kan uiteraard niet zomaar opgelegd worden. De eerste voorwaarde voor de opbouw van een land is de veiligheid, nog steeds niet evident in Irak. Democratie ontstaat ook niet door het organiseren van verkiezingen en kan slechts bestaan als ze wordt geschraagd door een middenklasse.
In het buitenlands beleid pleit het neoconservatisme voor morele klaarheid. Het interne karakter van een regime is van belang: met regimes die democratie en mensenrechten niet respecteren sluit je geen deals. Een duidelijke tegenspraak met de realistische school van onder andere Henry Kissinger. Beiden zijn volgens Fukuyama echter ontoereikend om de uitdagingen op wereldvlak aan te gaan. Het buitenlands beleid van de VS moet dan ook dringend gedemilitariseerd worden. Hij pleit voor een 'realistisch wilsonianisme', met meer nadruk op internationale samenwerking. Fukuyama verheldert niet alleen zijn eigen standpunten maar werpt ook licht op de oorsprong en ontwikkeling van het neoconservatisme en de toepassing ervan, met name op vlak van buitenlands beleid, en in het bijzonder in Irak.
jan.lievens@vlaamsbelang.org
Uit: Vlaams Belang Magazine - mei 2006.