Boekbespreking


Taalfaciliteiten in de Rand

Brusselse thema's 9: Taalfaciliteiten in de Rand. Ontwikkelingslijnen, conflictgebieden en taalpraktijk
Jimmy Koppen, Bart Distelmans, Rudi Janssens
487 blz. € 24.70
VUBPress, Brussel, 2002
ISBN:90-5487-335-3
Meer informatie: www.vubpress.be

In oktober vorig jaar werd een VUB-studie uitgebracht die aantoont dat de invoering van taalfaciliteiten in de randgemeenten rond Brussel hoofdzakelijk heeft geleid tot verfransing.

In opdracht van de provincie Vlaams-Brabant en de Vlaamse Gemeenschap voerde het Centrum voor de Interdisciplinaire Studie van Brussel van de VUB een onderzoek uit naar de impact van bijna 40 jaar taalfaciliteiten in de zes faciliteitengemeenten van de Vlaamse Rand rond Brussel: Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem. In een rondvraag bij meer dan 1000 personen werd gepeild naar de talenkennis, het taalgebruik in de dagelijkse leefomgeving, mediagebruik en culturele participatie. De studie wordt dan ook gepresenteerd als de eerste die objectief cijfermateriaal aanbrengt inzake het taalgebruik in de zes faciliteitengemeenten.

De taalfaciliteiten werden ingevoerd met het taalcompromis van Hertoginnedal in 1963. Toen in 1970 de eerste stap in de hervorming van een unitaire naar een, weliswaar pseudo-federale staat werd gezet, werden de taalgebieden grondwettelijk verankerd en verkreeg het territorialiteitsprincipe, dat het taalgebruik met de overheidsdiensten koppelt aan een bepaald territorium, een grondwettelijke basis. De eerste staatshervorming voerde echter ook de alarmbelprocedure en de techniek van de bijzonder meerderheden in zodat de Vlaamse meerderheid werd geneutraliseerd: een tweederde meerderheid én een gewone meerderheid in elke taalgroep is vereist voor grondwetswijzigingen. In 1988 werden de faciliteiten gebetonneerd in de grondwet zodat deze nu gelden als een verworven recht voor de Franstaligen.

De faciliteiten stellen de Franstalige inwoners in staat om in hun betrekkingen met de lokale overheden de eigen taal te gebruiken. Deze studie kadert dat faciliteitenregime in een historisch perspectief waarbij het zwaartepunt wordt gelegd op de recente periode vanaf 1988 tot en met het Lambermontakkoord. De belangrijkste conflicten tussen de door Franstaligen bestuurde faciliteitengemeenten en de voogdijoverheid worden op een rijtje gezet. Zo wordt er een volledig hoofstuk gewijd aan de omzendbrieven-Peeters en -Martens. Uiteraard worden ook de gezanten van de Raad van Europa met betrekking tot het minderhedenverdrag, Columberg en Nabholz, behandeld.

Uit de rondvraag blijkt dat de faciliteitengemeenten als woonplaats populairder zijn bij Franstalige inwijkelingen dan bij Nederlandstalige inwijkelingen. Alle faciliteitengemeenten hebben nu een meerderheid Franstalige inwoners. Niet toevallig, verklaart VUB-socioloog Rudi Janssens: "Franstaligen zeggen gewoon dat ze de mogelijkheden, de faciliteiten dus, gebruiken om hun taal te spreken. Ze spreken liever Frans en ze kunnen door niemand gedwongen worden om Nederlands te leren. Waarom dan Nederlands leren." (De Standaard, 10 oktober 2002). Evenmin mag het verbazen dat de Franstaligen georiënteerd zijn op Brussel. Een ander gevolg van de faciliteiten is het taalverlies bij Nederlandstaligen en tweetaligen.

Kortom, de taalfaciliteiten zijn een verfransingsinstrument gebleken, een evolutie waarvan we het einde nog niet gezien hebben. Enkele maanden geleden blies de VLD, met minister-president Dewael op kop, nog hoog van de Vlaamse toren. Dewael liet zowaar verstaan dat de faciliteiten moesten uitdoven. Ze hadden immers niet tot integratie van de Franstaligen geleid. Spijtig dat Dewael de kans om aan de faciliteiten te sleutelen, met name het Lambermontakkoord, intussen wel heeft laten voorbijgaan.

jan.lievens@vlaamsbelang.org

Uit: Vlaams Blok Magazine - februari 2003.